Ga naar de inhoud

Steiners voorwaarden

Steiners voorwaarden

In 1904 publiceerde Rudolf Steiner zijn boek Hoe verkrijgt men inzichten in hogere werelden? Het wordt gerekend tot zijn belangrijkste werken. De inhoud heeft betrekking op de geestelijke ontwikkeling die een individu kan gaan. Een hoofdstuk uit dit boek heet ‘de voorwaarden voor esoterische scholing’ (‘die Bedingungen der Geheimschulung’). Steiner refereert er weinig naar in zijn overige boeken en voordrachten. Het wordt ook relatief weinig besproken in de secundaire literatuur.

In dit artikel probeer ik de volgende vragen te beantwoorden:

  • Wat houden deze voorwaarden (vereisten) in en hoe kan er aan worden voldaan in het dagelijks leven?
  • Hoe hangen deze vereisten samen met andere werken uit de wereldliteratuur?
  • Hoe passen de vereisten in het gedachtengoed van Steiner in het algemeen?
  • Hoe verhouden deze vereisten zich tot Steiners vroegere werk?

 

Hoe te leven conform de vereisten?
Steiner omschrijft 7 vereisten die een esoterische ontwikkelingsweg stelt aan degene die hem wil gaan. Deze vereisten betreffen zowel idealen om na te streven, als ook inzichten en gevoelens om je te verwerven. Je kan ze alle opvatten als richtinggevende waarden. Dit zijn ideeën die weergeven wat je belangrijk vindt en die je aan je gedrag ten grondslag kan leggen. Waarden kunnen een richtlijn voor gedrag vormen, maar laten zich niet definitief realiseren. Ze vragen om een permanente inzet. Iemand die er bijvoorbeeld voor kiest gezond te gaan leven, is daar nooit mee klaar. Steeds opnieuw zal je je voor de keuze gesteld zien om hier op de een of andere manier invulling aan te geven. De doelgerichte intentie om aan deze vereisten te voldoen is waar het op aan komt.

Niet alle vereisten die Steiner omschrijft geven even duidelijk een richtlijn om je aan te houden. Wat je te doen staat ligt weliswaar tot op zekere hoogte voor de hand, met name bij de vereiste om gezond te leven. Minder voor de hand ligt dit bijvoorbeeld bij de vereiste om tot het inzicht te komen dat je gedachten en gevoelens net zo goed van betekenis zijn voor de wereld als je handelingen. Hieronder zal worden besproken hoe de vereisten praktisch kunnen worden opgevat.

  1. “Die erste bedingung ist: man richte sein Augenmerk darauf, die korperliche und geistige Gesundheit zu fordern.” Deze vereiste spreekt enigszins voor zich. Het gaat erom bij alles wat je doet belang te hechten aan je gezondheid. Dat kan betekenen dat je sommige dingen juist wel doet, zoals voldoende beweging nemen, en andere juist niet, zoals snoepen. Soms is het nodig om prioriteiten stellen die ten koste gaan van je gezondheid. Bijvoorbeeld wanneer je bij een bezoek gezellig mee geniet van een aangeboden taartje. Echter, ook dan kan je intentie om gezond te leven overeind blijven.
  1. “Die zweite Bedingung ist, sich als ein Glied des ganzen Lebens zu fühlen.” Het gevoel onderdeel te zijn van een groter geheel zal verantwoordelijkheidsgevoel wekken. Het komt er op aan in elke situatie waarin je je bevindt en tegenover alles en iedereen met wie je te maken hebt te beseffen dat je medeverantwoordelijk bent en dat je deze verantwoordelijkheid dient te nemen. In het contact met een ander kan dat eruit bestaan dat je erkent dat je invloed hebt op het gedrag van die ander en dat het aan jou is om je invloed zo gunstig mogelijk te laten zijn. Ook volgt hieruit dat je niet zomaar je alles naar believen kan toeëigenen. Deze vereiste impliceert dat ook de ander verantwoordelijkheid draagt. Het kan een vorm van hulp zijn, wanneer je bijvoorbeeld je verwachtingen uitspreekt of je grenzen aangeeft. Het kan ook betekenen dat ervan afziet om iets te nemen, omdat het teveel ten koste van anderen zou gaan. Bijvoorbeeld overmatig vrije tijd inruimen of geld spenderen, ook al is daar binnen je gezin weinig ruimte voor.
  1. “Und damit hangt die dritte bedingung fur die geheimschulung unmittelbar zusammen. Der Zögling muss zich zu der Anschauung emporringen konnen, dass seine Gedachten und Gefuhle ebenso Bedeutung fur die Welt haben wie Seine Handlungen.” Zolang je opgaat in een gedachte of een gevoel, ervaar je de inhoud ervan. Zodra je je van een gevoel of gedachte kan losmaken, kan je ook ervaren hoe die gedachte of dat gevoel voor je is. Je merkt dan wat er uitgaat van die gedachte of dat gevoel. De invloed die van een gedachte of een gevoel uitgaat, strekt zich ook uit tot je omgeving. Een ander kan niet waarnemen wat je denkt of voelt, maar hij zal wel kunnen ervaren wat er van je uitgaat onder invloed van een gedachte of gevoel. Besef van de invloed op jezelf en anderen van  opgekomen gedachten en gevoelens is waar het op aan komt. Een gevoel van afgunst of nijd is nooit iets om te cultiveren voor wie aan deze vereisten wil voldoen. Ook niet als je het voor jezelf houdt. Het daadwerkelijk beschimpen van een ander dient uiteraard al helemaal te worden afgestopt en plaats te maken voor meer integere uitingen. Dit geldt ook voor het neerhalen van jezelf. Zodra je merkt dat je dat aan het doen bent en het lukt je om ermee te stoppen, voldoe je aan deze vereiste.
  1. De vierde vereiste is “Je het inzicht eigen te maken, dat de eigenlijke wezenheid van de mens niet in het uiterlijke, maar in het innerlijke ligt.” Dit inzicht relativeert elke vorm van gerichtheid op uiterlijkheden. Wat niet wil zeggen dat de uiterlijke vorm er niet toe doet. Hij dient echter niet te worden verward met wat wezenlijk is. Het innerlijke is weliswaar waar het op aan komt, maar is ook weer niet zaligmakend. Deze vereiste te verwerkelijkheden houdt dan ook in dat je steeds het midden houdt tussen uiterlijke vorm en innerlijke wezenlijkheid. Wat uiterlijk en wat wezenlijk is, dient je steeds opnieuw te bepalen. Het kan een vorm van uiterlijke gerichtheid zijn om je volkomen aan te passen aan de ander en jezelf helemaal terug te houden. Hetzelfde geldt echter ervoor om je uit te spreken en daarbij eraan voorbij te gaan met wie je te maken hebt of wat de omstandigheden zijn. Het maakt bijvoorbeeld ook uit of iemand per ongeluk dan wel met opzet een probleem heeft veroorzaakt. Daar staat tegenover dat het beroep dat iemand kan doen op zijn goede bedoelingen ook een vorm van uiterlijke schijn kan zijn tegenover het diepere besef dat zijn gedrag niet in de haak is. Iemands rijkdom of armoede, zijn hoge of juist lage maatschappelijke status, zijn jeugd of ouderdom, kan je met recht relativeren als uiterlijke schijn. Alhoewel elke relativering evengoed een vorm van uiterlijke schijn kan zijn.
  1. De vijfde vereiste houdt het volgende in: “De standvastigheid in het opvolgen van een eenmaal genomen besluit”. Ten grondslag aan een besluit ligt het besef van wat je te doen staat, ook al is de uitkomst of de consequentie ervan onzeker. Een keuze voelt als wat je ten diepste wil, als iets wat je verplicht bent aan jezelf en je omgeving. Er ook daadwerkelijk ‘ja’ tegen te zeggen is wat een besluit inhoudt. De te voorziene consequenties kunnen het nemen van een besluit moeilijk maken. Heb je een keuze eenmaal gemaakt, dan komt het er vervolgens op aan deze door te zetten tegen de weestand in. Die er altijd zal zijn, zowel innerlijk als in je omgeving. Op het moment dat je dat lukt, verwerkelijk je deze vereiste. Iemand heeft bijvoorbeeld het gebruik om elke dag met zijn moeder te bellen. Hij vindt dat echter zo langzamerhand veel te veel, eenmaal per week is voor hem meer dan genoeg. Als hij eenmaal ertoe heeft besloten dit te gaan minderen, is het niet alleen zaak dit werkelijk door te voeren. Het zal er ook op aan komen om de grenzen te bewaken, wanneer zijn moeder toch weer vaker begint te bellen dan dan hem lief is. Of wanneer familieleden hem beginnen te vragen waarom hij zo naar doet tegen haar door niet meer dagelijks te bellen. Tenslotte werpt elk besluit tot wat je wil grenzen op die buiten sluiten wat je niet wil. Deze vereiste impliceert dat je je grenzen niet alleen stelt, maar ook verdedigt.
  1. “Een zesde vereiste is de ontwikkeling van het gevoel van dankbaarheid tegenover alles, wat de mens toevalt.” Blij te zijn met wat je hebt, of met wie je bent gaat soms vanzelf, maar het kan ook iets zijn om bewust voor te kiezen. Dat kan vooral aan de orde zijn wanneer je ontevreden begint te worden. Je wil meer van hetzelfde of van juist iets heel anders. Dat kan om van alles gaan: om geld, of aandacht, of tijd voor jezelf. Juist wanneer je merkt dat je alleen nog maar tekort ervaart en meer wil, komt het erop aan tevredenheid op te brengen met wat je al hebt. Iemand heeft er bijvoorbeeld moeite mee om complimenten aan te nemen. Hij ervaart dit als beschamen. Het kan zijn dat hier een bodemloos verlangen naar complimenten aan ten grondslag ligt. Juist dan kan het een stap in de richting van deze vereiste zijn om het gemaakte compliment werkelijk te ontvangen door de ander ervoor te bedanken.
  1. “Alle genoemde vereisten dienen in een zevende te worden verenigd: het leven onophoudelijk op te vatten in de zin die de vereisten verlangen.” Je waarden (idealen) zijn iets om enthousiast over te zijn, om van te houden. Dat geldt ook voor deze vereisten. Ze zijn niet iets om te proberen of te moeten, maar iets om in te geloven en voor te gaan. Dat is uiteraard niet altijd makkelijk om vol te houden. Elke keuze voor wat je ten diepste wil, gaat gepaard met weerstand, zowel innerlijk als van buiten af. Wie gericht is op wat hij van waarde acht en wat goed voelt, zal dan ook vroeger of later te maken krijgen met de aanvechting het op te geven. Gevoelens van moedeloosheid kunnen dan ertoe aanzetten om niet alleen een bepaalde doelstelling te laten vallen, maar zelfs ook de richting (de vereiste) die er aan ten grondslag ligt. Somber en vol zelfmedelijden kan je tot stilstand komen. De zevende vereiste houdt in dat je je steeds opnieuw opricht en geestdrift opbrengt voor de richting die je op wilt. Zodra je weer in beweging weet te komen in het besef dat dit is wat je wil en waar je voor kiest, voldoe je aan deze vereiste.

 

De vereisten, de zeven hoofdzonden en de oplossing van dilemma’s
Zoals reeds besproken houdt een keuze voor deze vereisten in dat je ze permanent probeert na te volgen en tot uitvoering te brengen. Net zoals het jawoord bij een huwelijk een keuze is voor altijd en voor onder alle omstandigheden.

Dit streven wordt onvermijdelijk bemoeilijkt door neigingen die permanent in je omgaan. Onophoudelijk zullen allerlei drijfveren je een andere kant op duwen dan de vereisten je aangeven. Dergelijke drijfveren zijn onder meer beladen emoties, overtuigingen en lichamelijke gewaarwordingen. Deze drijfveren komen voortdurend spontaan bij je op, in tegenstelling tot waarden waarvoor je steeds opnieuw zelf dient te kiezen. Allerlei drijfveren zullen kortom steeds opnieuw een drang op je kunnen uitoefenen die in tegenspraak is met de vereisten die gesteld worden aan iemand die esoterische scholing wil volgen. De keuze voor de vereisten impliceert dat je dergelijke drijfveren probeert te weerstaan.

Steiner omschrijft enkele typische drijfveren. Zo kan lust geen drijfveer meer zijn, voor wie gezond wil leven. Wie zich een deel van een groter geheel wil voelen kan niet langer eraan voorbijgaan dat wat hij heeft, daarmee onttrokken is aan een ander. Het besef dat het innerlijk van de mens het wezenlijke is, dient ermee gepaard te gaan dat je je niet meer overgeeft aan uiterlijkheden. Hatelijkheden te koesteren gaat niet samen met het besef dat gedachten en gevoelens niet minder een werking hebben op je omgeving dan uiterlijke handelingen.

Deze drijfveren die Steiner noemt in verband met de vereisten, passen in een oude classificatie. Deze bestaat reeds eeuwen, zo niet millennia. Zij is heden vooral bekend als die van de zeven hoofdzonden. In Steiners omschrijvingen zijn de volgende hoofdzonden herkenbaar: Lustigheid, hebzucht, ijdelheid en afgunst. De resterende drie hoofdzonden, die hij niet aanstipt, zijn onmatigheid, woede en traagheid.

De vier drijfveren (hoofdzonden), die Steiner omschrijft, noemt hij in verband met vier corresponderende vereisten. Het verband tussen de drie resterende hoofdzonden en vereisten ligt voor de hand. Met een kleine aanvulling op Steiners omschrijvingen kom je aldus tot een zevental corresponderende vereisten en hoofdzonden.

Elk van deze zeven hoofdzonden kan begrepen worden als een typische drijfveer. De zeven hoofdzonden zijn in feite een classificatie van drijfveren. Zoals de zeven vereisten kunnen worden opgevat als een classificatie van typische waarden.

Zeven typische waarden staan zodoende tegenover zeven typische drijfveren. Elk van deze zeven paren vormen typische dilemma’s:

 

Je kan je uitleven in:  Of je richten op:
wellust gezondheid
hebzucht verantwoordelijkheid
onmatigheid dankbaarheid
razen of mokken standvastigheid in je besluiten
ijdelheid / hoogmoed het innerlijke, het wezenlijke
afgunst integriteit
moedeloosheid het motiverende van je waarden

 

Elk van de zeven vereisten dien je steeds na te volgen. Steeds echter zijn er de verleidingen van de hoofdzonden die je afhouden van een volkomen vervulling van de vereisten. Zodra een bepaalde drijfveer aan je trekt, komt je commitment aan de corresponderende vereiste onder druk te staan. Je staat dan voor een dilemma en bent daarmee in feite al enigszins verwijderd geraakt van de vereisten. Aan de vereisten kan dan ook niet volkomen worden voldaan, zoals Steiner ook aangeeft.

Om je keuze voor een vereiste gestand te kunnen doen, is de herkenning van het dilemma waar je je voor geplaatst ziet van belang. Dat helpt om je je te herinneren wat je eigenlijk wil en om je te realiseren dat je daarvan dreigt af te drijven. Het komt er uiteindelijk op aan het dilemma op te lossen door een keuze te maken voor het vereiste. Dat houdt in dat je doelgericht voortgaat conform de vereisten. Het oplossen van dilemma’s vraagt om meer dan een vasthouden aan wat je belangrijk vindt. Ook het je kunnen verhouden tot je dilemma’s is van belang en het kunnen verwerken van wat je afhoudt van je waarden. Dat is echter niet iets waar in dit artikel op in wordt gegaan.

 

De vereisten in het geheel van Steiners latere gedachtengoed
Voor zover mij bekend heeft Steiner de zeven vereisten in ander werk niet meer beschreven. Toch kunnen ze in verband worden gebracht met een ander zevental dat hij uitvoerig beschreef, dat van de planetensferen. Dit verband geldt vanzelfsprekend ook zo voor de zeven hoofdzonden.

Planeetsfeer Je kan je uitleven in: Of je richten op:

 

planeetsfeer Je kan je uitleven in:  Of je richten op:
maan wellust gezondheid
mercurius hebzucht verantwoordelijkheid
Venus onmatigheid dankbaarheid
Mars razen of mokken standvastigheid in je besluiten
Jupiter ijdelheid / hoogmoed het innerlijke, het wezenlijke
Saturnus afgunst integriteit
Zon moedeloosheid het motiverende van je waarden

 

De volgorde waarin Steiner de vereisten bespreekt in zijn boek Hoe verkrijgt men…wordt inzichtelijk wanneer je ze in verband brengt met de planeten. Steiner bespreekt eerst de vereisten die zijn verbonden aan Maan en Mercurius, dan Saturnus en Jupiter, dan Venus en Mars en tenslotte de zon. Kortom, eerst de meest nabije planeet t.o.v. de aarde (Maan) en de daarop volgende (Mercurius); dan de meest verwijderde planeet t.o.v. de aarde (Saturnus) en degene die daarvoor komt (Jupiter); tenslotte de planeet die na Mercurius komt maar nog voor de Zon (Venus), vervolgens de planeet direct na de zon maar nog voor Jupiter (Mars), en tenslotte de Zon zelf.

In de beschrijvingen van Steiner staan de sferen van planeten op zichzelf, maar manifesteren ze zich ook steeds in een onderlinge samenhang. Je kan spreken van een zevenledige planetensfeer. Dit geldt ook voor gedrag dat gericht is op de verwerkelijking van de vereisten. Steeds dienen alle vereisten te worden gevolgd, maar steeds ook in een verhouding tot elkaar die bij het moment past. Daarbij kan het lijken alsof een bepaalde vereiste niet aan de orde is, maar dat is niet werkelijk het geval. Hooguit wordt in een bepaald moment de navolging van een bepaalde vereiste minder zichtbaar dan een andere. In een specifieke situatie kan iemand bijvoorbeeld ervoor kiezen de zorg voor een ander op zich te nemen, ten koste van zijn eigen gezondheid. Het lijkt dan alsof deze vereiste niet wordt nagevolgd. Het is echter heel goed mogelijk dat iemand ten koste van zijn gezondheid zorgt voor een ander, maar daarbij toch óók zijn gezondheid zo goed mogelijk in acht neemt.

Elke gedraging die voortkomt uit de navolging van de vereisten zou zo bezien in meer of meerdere mate in de richting gaan van gezond gedrag, verantwoordelijkheid, dankbaarheid, enzovoort. Zoals elke egocentrische drijfveer in feite een samenstelling is van de besproken zeven componenten: wellust, hebzucht, mateloosheid, wrokkigheid, hoogmoed, nijd, traagheid.

Hieruit volgt dat Steiners werk een inhoudelijke invulling kan geven aan wat tegenwoordig in de psychologische literatuur geldt als gedrag dat gericht is op waarden. Elke concrete waarde kan worden begrepen als een samenspel van zeven componenten oftewel dimensies, namelijk de vereisten die Steiner omschreef.

 

Steiners vroegere werk versus de vereisten
Steiner onderscheidde drie episodes in de ontwikkeling van zijn gedachtengoed. De tijd vanaf ongeveer 1902 beschouwde hij als antroposofisch, de periode tot ongeveer 1900 als voor-antroposofisch en de tijd daartussen als een tussenfase. Het onderscheid kan je als volgt karakteriseren. Steiners voor-antroposofische werk beschrijft hoe ieder individu in zichzelf de essentie van zijn waarnemingen kan vinden. Daarbij kan ieder zich vanuit zichzelf richting geven, in aansluiting op de omgeving. Steiner sluit in deze fase van zijn leven alles uit wat buiten de zintuigelijke waarneming valt en alle inzicht waar je niet zelf toe kan komen. Elke morele orde wijst hij af, voor zover deze bij voorbaat richting geeft aan een situatie. In zijn latere werk bespreekt hij daarentegen juist wat niet direct waarneembaar is en formuleert hij de morele orde van de vereisten. Het vroegere werk sluit dan ook tot op zekere hoogte het latere uit. Toch is Steiners voor-antroposofische fase óók een voorstadium gebleken van wat later de antroposofie werd. Het latere antroposofische werk omvat het vroegere gedachtengoed van Steiner. Al wijzigde Steiner de vroegere vorm enigszins met deze opname in het grotere geheel van zijn latere antroposofie. De latere Steiner laat zich dan ook niet afleiden uit de vroegere, noch is in de vroegere Steiner op verholen wijze de latere reeds aan het woord.

De mogelijkheid van innerlijke vrijheid die Steiner in zijn vroege werk verwoordde, ging natuurlijkerwijs gepaard met vormen die uitsloten wat zijn latere werk juist uitmaakte. Diezelfde innerlijke vrijheid maakte op latere leeftijd mogelijk dat Steiner brak met zijn jongere zelf. Deze breuk is net zo reëel als de overeenstemming van zijn latere werk met zijn vroegere werk reëel is. Het werk van de vroege en de late Steiner zijn verschillende ontwikkelingsstadia van één en hetzelfde geheel.

Hoe verkreeg men…. schreef Steiner vanaf 1904 en geldt dan ook als een antroposofisch werk. Over het thema waarop de vereisten betrekking hebben schreef Steiner reeds uitgebreid in zijn voor-antroposofische periode. Namelijk over gedrag dat voortkomt uit keuzes voor wat iemand ten diepste wil gegeven de context. Hij noemde in die tijd zijn ideeën hierover ‘ethisch individualisme’. De kloof die gaapt tussen Steiners antroposofische periode en zijn voor-antroposofische periode manifesteert zich ook in het onderscheid tussen zijn vroegere ethisch individualisme en de latere vereisten. Maar net zoals in het algemeen geldt voor de antroposofie in relatie tot de voor-antroposofische tijd, impliceren de vereisten het ethisch individualisme. Afgezien van bijkomstigheden. Het idee dat er specifieke principes zouden bestaan met een speciale betekenis voor het leven, wijst de jonge Steiner immers radicaal van de hand. Hij onderkent weliswaar de waarde van principes als richtlijn voor gedrag. Echter, geen enkele waarde heeft het in zich om in het algemeen als meer leidend te gelden dan andere waarden. Ieder zal zelf moeten bepalen in welke omstandigheid hij zich volgens welke principe wil gedragen. Keuzes die iemand in vrijheid ooit maakte, zal hij bovendien steeds opnieuw moeten vernieuwen. Doet hij dat niet, dan vervalt hij vroeger of later in rigide en onvrije gedragspatronen. Gezond leven bijvoorbeeld kan voor de ethisch individualist een aansprekende intentie zijn, maar hij zal steeds opnieuw moeten bekrachtigen dat dit is wat hij wil en daarbij ook steeds opnieuw moeten bepalen wat dit voor hem inhoudt. Gezond leven heeft als principe geen bijzondere betekenis in het licht van het vroege ethisch individualisme van Steiner. De vereisten zouden voor de jonge Steiner een verzameling morele intuïties zijn geweest zonder bijzonder belang. Het idee van een morele orde waarin dieper inzicht samenhangt met de keuze voor een aantal vereisten zou hij hebben afgewezen.

Voor de latere Steiner daarentegen hangt het verwerven van dieper inzicht onlosmakelijk samen met commitment aan de vereisten. Onder meer de intentie om gezond te leven is voor de latere Steiner een voorwaarde om tot hogere ontwikkeling te kunnen komen. Zoals gezegd zou de jonge Steiner niet alleen het hebben afgewezen dat een bepaalde intentie een bijzondere betekenis zou kunnen hebben. Evenzo zou hij het hebben afgewezen dat er er een dieper inzicht zou bestaan dat niet direct toegankelijk is aan de hand van de zintuiglijke waarneming. Zoals gesteld is de jonge Steiner met zijn verwerping van elke ‘morele codex’ in tegenspraak met de oudere. Toch blijft de latere Steiner met zijn beschrijving van de vereisten in overeenstemming met de vrijheid die de jongere Steiner als het hoogst haalbare beschreef. Steiner stelt dat wie de vereisten niet werkelijk wil, ook niet de ontwikkeling tot inzicht kan doormaken die hij schetst. Zo’n ontwikkeling is slechts mogelijk voor wie deze vereisten op zichzelf genomen wil. De keuze voor de vereisten verloopt niet anders dan elke keuze voor wat je belangrijk vindt en voor wat goed voelt. De vereisten dienen een verwoording te zijn van hoe je wilt leven en hoe je wilt zijn. Ze moeten óók een doel op zichzelf zijn, al is de keuze ervoor tevens een middel tot een doel, namelijk dieper inzicht.

 

Samenvatting
Geconcludeerd kan worden dat Steiner met de vereisten in de eerste plaats een zevental waarden formuleerde die complementair zijn aan een zevental typische drijfveren, bekend als de zeven hoofdzonden. Deze vereisten vermogen richting te geven aan elk dilemma waar een individu zich in het dagelijks leven voor gesteld kan zien. Daarnaast kunnen de vereisten worden opgevat als de verschillende componenten van elke waarde waarvoor je kan kiezen. Steiner heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de psychologie die echter tot op heden niet op waarde wordt geschat in de literatuur.

De vereisten van Steiner verhouden zich tot zijn vroege ethisch individualisme, zoals in het algemeen zijn latere antroposofie zich verhoudt tot zijn vroegere werk: het één sluit het ander uit, maar het ander omvat het één.