Mijn leven met Mozart, Eric-Emmanuel Schmitt

   

 

Eric-Emmanuel Schmitt wordt wel beschouwd als de belangrijkste Franse auteur van dit moment. Zijn boeken zijn steevast bestsellers. Zoals de titel al aangeeft, beschrijft Schmitt in dit boek zijn leven met Mozart. Dit boek laat zien hoe echte kunst een bron kan zijn van gezondheid en welzijn. Echte kunst kan troost, geloof in mensen en nieuwe moed geven. Echte kunst is niet ontoegankelijk of nietszeggend, maar raakt je en verheft je uit de misère. Hieronder enkele passages uit het boek van Schmitt.

 

Op mijn vijftiende was ik levensmoe. Waarschijnlijk moet je zo jong zijn om je zo oud te voelen. Zonder die hand die me heeft tegengehouden, zou ik me hebben laten meeslepen door de verlokking van zelfmoord, die verleidelijke, sussende dood, het verborgen gat waar ik stilletjes in wilde verdwijnen om een einde aan mijn lijden te maken. (…) Ik raakte geobsedeerd door de dood. Ik bedoel niet die doodsangst die ik vroeger weleens had gevoeld, ‘s avonds, onder de dekens, als de anderen al lagen te slapen, en waardoor ik in het halfduister weer rechtop ging zitten met mijn vingers om de koude spijlen van het bed geklemd omdat ik plotseling dacht dat ik doodging; nee, ik heb het niet over die kortstondige angst die verdween zo gauw er een lampje werd aangestoken, maar over een voortdurend, loodzwaar, wezenlijk gevoel van onbehagen, een chronisch lijden. (…) Ik meende in de dood de zin van het leven te hebben gevonden.

Als de dood de zin van het leven bleek te zijn, had het leven geen zin meer. Als wij niets anders zijn dan een tijdelijk gekrioel van moleculen, een kortstondige cluster van atomen, wat had het dan voor zin om te bestaan? Waarom zou je waarde hechten aan een leven zonder waarde? Waarom zou je vasthouden aan een leven zonder leven?

Nu de wereld was afgevlakt tot een trompe-l’oeil, had hij zijn charme, zijn kleuren en zijn geuren verloren. Ik had zojuist het nihilisme uitgevonden en maakte mezelf in mijn eentje vertrouwd met dat geloof in het niets.

Het leven, die vluchtige, nutteloze klucht, wilde ik de rug toekeren.

Toen kwam het zover dat ik zoveel uren op de EHBO-post doorbracht dat ik mijn lessen niet meer kon volgen en de schoolleiding mijn ouders waarschuwde.

Die namen me mee naar verschillende dokters, maar zodra ik bij een van hen in de spreekkamer zat, was ik heel gauw genezen om te voorkomen dat ik aan een verhoor zou worden onderworpen. Ze wilden met me praten, maar er kwam geen woord over mijn lippen.

Niemand begreep wat er met me aan de hand was. Als mij vragen gesteld werden, hulde ik me in stilzwijgen.

Ik had serieuze zelfmoordplannen. Tijdens de lange uren die ik in bad doorbracht, had ik mijn methode gekozen: het zou die van Seneca zijn. Ik zou zelf de ceremonie leiden. Languit in bad liggend, bedekt door een dikke laag schuim, zou ik mij de aderen met een scherp mes doorsnijden en mijn bloed zou zachtjes uit mij wegstromen om mijn leven in het blauwe water te laten wegzinken. Een pijnloze dood om uit een pijnlijk bestaan te stappen. (…)

In die gemoedstoestand woonde ik op een middag een repetitie in de Opera van Lyon bij. (…) De repetitie begon. (…) Ik zat me een beetje te vervelen. Niets kon me hoe dan ook interesseren. Er kwam een vrouw het toneel op. Te dik. Te zwaar opgemaakt. Te onhandig. (…) De vrouw begon te zingen. En opeens veranderde alles. Plotseling was de vrouw mooi geworden. (…) De tijd stond stil. Ik keek gefascineerd naar de vrouwelijkste vrouw ter wereld, volledig in de ban van haar gezang, waardoor ik me liet betoveren, wiegen, meevoeren, liefkozen (…) Via de muziek bedreven we de liefde. Mijn kracht kwam terug. En de verwondering. Ja de schoonheid, alle schoonheid van de wereld stroomde de zaal binnen en werd me aangeboden, daar, vlak voor mijn neus. Toen de sopraan zweeg, viel er een stilte die bijna even ontroerend was als het gezang, een stilte die vast en zeker nog van Mozart was…

Wat er daarna gebeurde, kan ik me niet herinneren. Ik weet alleen nog dat ik op dat moment genezen was. Weg wanhoop! Weg somberheid! Ik wilde leven. Als er op aarde zulke waardevolle, zulke volmaakte en zulke intense dingen bestonden, trok het leven me aan. Dat ik weer beter was, bleek uit mijn ongeduldige reactie. ‘Wanneer kan ik dat stuk weer horen? Ik moet mijn ouders vertellen dat ze absoluut kaartjes voor ons moeten kopen.’ En toen, als tweede teken van mijn hervonden levenslust, weer ik opeens ongerust. ‘Zal ik wel tijd genoeg hebben om al die wonderen waar de wereld zo vol van is te ontdekken? Hoeveel zal ik er missen? Als ik maar gezond blijf tot na mijn negentigste, op z’n minst… Dat zei de puber die een paar minuten daarvoor zijn aderen nog wilde doorsnijden. Mozart had me gered: je verlaat geen wereld waar zulke prachtige dingen te horen zijn, je pleegt geen zelfmoord op een aarde die zulke vruchten draagt, en nog andere soortgelijke.

Genezing door schoonheid… Waarschijnlijk zou geen enkele psycholoog op het idee zijn gekomen om me op die manier te behandelen. Mozart bedacht het en maakte me beter. Als een zwaluw die de lucht in schiet, verliet ik de duisternis en steeg op naar de hemel. Ik zoek er nog dikwijls mijn toevlucht.

En toch, toen je in mijn leven kwam, was het niet de eerste keer dat ik je ontmoette. Integendeel. Je was me al vertrouwd, zoals een gezicht dat je in het voorbijgaan hebt gezien maar nooit hebt aangekeken, iemand die je bekend voorkomt maar die je niet herkent, een buurman op wie je nooit zo had gelet.

De platen thuis en de radio hadden me al met jou in contact gebracht. (…) Die doofheid merkte ik trouwens al gauw ook bij anderen op. (…) Zo maken overweldigende ervaringen vreemde omwegen: altijd wispelturig, eigenaardig, van korte duur en ongewoon, volgen ze een chaotisch pad; voor sommigen zijn het openbaringen, voor anderen nietszeggende ogenblikken.

Jij bent dus een vertraagde blikseminslag geweest, Mozart.

Zo’n blikseminslag heeft te maken met vooruitzien…

De tijd kreukelt, kronkelt, en dan opeens, in een flits, komt de toekomst te voorschijn. We ontsluiten niet de herinneringen aan gisteren, maar de herinneringen aan morgen. ‘Dit is de grote liefde van de jaren die voor mij liggen.’ Dat is een blikseminslag: het besef dat je iets overweldigends, intens, wonderbaarlijks met iemand te delen hebt.

(…) Je drukt je zo levendig uit dat een schooolse geest je soms niet kan horen en doof blijft voor je diepgang, je spirituele ernst, je intense gevoel voor de dood.

(…) Precies op dat moment zei jij Ave, verum corpus en gaf je dit ogenblik een religieuze betekenis. Religieus ben ik nauwelijks. Toch drong je aan, melodieus en met een onverbiddelijke tederheid, en dwong je me tot een kritisch zelfonderzoek. Waarom vier je Kerstmis, vroeg je me. Waarom geef je zoveel geld uit? Antwoorden drongen tot mijn geweten door en maakten me bang. Terwijl ik de hele dag gedacht had dat ik een goed mens was, kwam ik tot de ontdekking dat ik vooral erg tevreden was over mezelf: ik verdoezelde het egoïsme dat mijn gedrag het afgelopen jaar had bepaald, ik compenseerde met cadeaus de goede voornemens die ik niet had gehad, de telefoontjes die ik niet had beantwoord, de uren die ik niet aan anderen had besteed. In plaats van een al gulheid te zijn, kocht ik mijn gemoedsrust af. De koortsachtigheid waarmee ik geschenken  kocht had niets christelijks: het was een weloverwogen investering om mezelf een goede reputatie te verschaffen. Ik wenste geen vrede, ik haakte alleen naar vrede voor mezelf.

Maar jij herinnerde me eraan dat we de geboorte vierden van een god die over liefde spreekt… of ik er nu in geloofde of niet, in die god van liefde, doet er niet toe; voor zover ik mezelf toestond Kerstmis te vieren, moest ik op z’n minst het feest van de liefde vieren… Ik had het begrepen. Ook al wogen de pakjes na afloop van het gezang nog even zwaar in mijn ingesneden handpalmen, ze hadden een andere betekenis gekregen: ze waren met liefde beladen.

De vredige koorzang die deze veteranen ten gehore hadden gebracht, wees me op een wereld waarvan niet ik het middelpunt was, maar waarvan de mens het middelpunt is. Het gezang vertolkte aandacht van mensen voor mensen, oog voor onze kwetsbaarheid, onze sterfelijkheid. Dat zeiden de schildpadden met hun wollen mutsen onder het portaal van de Sint-Jan.

In de donkere nacht van koude en ouderdom waren we broeders in broosheid. Jij liet me zien dat er een vermenselijkte wereld is, die zijn eigen feesten, regels, geloofsovertuigingen en ontmoetingen vaststelt, waar stemmen in harmonie samengaan om een schoonheid voort te brengen die alleen uit eendracht en eensgezindheid kan ontstaan, als resultaat van een gezamenlijke zoektocht, een afgesproken doel, een gedeelde emotie… plotseling werd er een andere wereld zichtbaar naast die van de natuur, de natuur die door vorst, kou en duisternis kon worden weggevaagd. Een verzonnen wereld, de onze. Die wereld weerspiegelde jij, schets jij in je muziek. Misschien schiep je hem wel.

In dat koninkrijk – dat het christendom en het jodendom overstijgt, dat niks met godsdienst te maken heeft – wilde ik geloven.

Vandaag de dag weet ik niet of God of Jezus bestaat. Maar jij hebt me ervan overtuigd dat de Mens bestaat. Of het verdient te bestaan.

(…) Van je gevoel maakte jij een meesterwerk. Het verdriet was in schoonheid veranderd.

Ik leunde met  mijn rug tegen de leren achterbank, legde mijn hoofd achterover en liet mijn tranen de vrije loop. Huilen, eindelijk. Sinds ik van nabij meemaakte hoe mijn dierbaren met de dood worstelden, had ik niet meer gehuild. Huilen. Daarna accepteren. Dankzij jou accepteerde ik. Ja, ik geloof dat ik ook accepteerde. (…)

Het onvermijdelijke verdriet accepteren. Berusten in de tragiek van het bestaan. Je niet schrap zetten tegen het leven door het te ontkennen. Niet meer dromen dat het leven anders is dan het is. Je aanpassen aan de realiteit. Wat die ook is.

Jij schenkt me de wijsheid om ‘ja’ te zeggen. Vreemd, dat ‘ja’ terwijl mijn eeuw, mijn intellectuele vorming, onze ideologieën mij laten geloven dat je sterk bent als je ‘nee’ zegt.

Vanavond heb ik mezelf vergeven. Vergeven dat ik niet bij machte ben de wereld te veranderen. Vergeven dat ik de strijd niet kan aanbinden met de natuur als die ons te gronde richt. Vergeven dat mededogen mijn enige wapen is. Vanavond heb ik mezelf vergeven dat ik een mens ben.

(…) Vannacht ging ik dankzij jou terug naar die weldadige bron, die voorouderlijke wijsheid, die wijsheid die bestaat uit liefde voor het ware, liefde voor de werkelijkheid zoals die is.

(…) Als jij je in een personage inleeft, vel je er geen oordeel over, maar schenk je het je sympathie, geef je het de ruimte. (…) Bij jou wordt de vreemdeling onze naaste. Je kunt alles vertellen omdat je alles tastbaar maakt.

(…) Een meester in complexiteit, dat ben je. Nauwkeurig wijs je ons op de uitersten waaruit wij bestaan, de spanningen waaruit wij zijn opgebouwd.

(…) Je bent mijn geheim geweest, daarna mijn talisman; ik hoop dat je mijn ijkpunt zult worden.

Ik zou graag jouw ideaal bereiken, het ideaal van een eenvoudige, toegankelijke kunst, die eerst bekoort en dan aangrijpt. (…) In kunstwerken heeft er altijd een tweedeling tussen edele kunst en populaire kunst, of het nu ging om literatuur, schilderkunst of muziek. En altijd geeft Mozart de oplossing. (…) Muziek die uitsluitend lichtvoetig is, verveelt. Muziek die uitsluitend ingewikkeld is, verveelt ook. Tussen die twee gescheiden werelden heb je een brug geslagen met je muziek, die gemakkelijk in het gehoor lijkt te liggen maar in wezen heel diepzinnig is.

(…) Toen ik niet in God geloofde, genoot ik ervan als zuivere muziek, een van de mooiste stukken die ik kende. Ik was er toen al verrukt van.

Nu ik wel gelovig ben, is dit het lied van mijn geloof, een lied dat naar de hemel opstijgt, over deze aarde die zoveel tranen laat vloeien, een gelukkig lied dat alsmaar doorgaat, zuiver, steeds opnieuw inzet, als de vlucht van een leeuwerik in de blauwe lucht. Deze muziek is als een bron en leidt naar een oorspronkelijke tederheid, een tederheid waaruit alles voortvloeit, een overdadige, allesomvattende liefde, de tederheid van de Schepper.

(…) In jouw muziek hoor ik twee liederen: het lied van het schepsel en het lied van God (…) Het lied van God is het gezichtspunt van de Schepper. Het lijkt mij dat je soms dat niveau bereikt. Een niveau waar geen gevoelens meer bestaan, dat daarboven uitstijgt, het allesoverheersende gezichtspunt, eindelijk vrede… Al luisterend naar het adagio van het 21e pianoconcert kon ik dankzij jou deze wereld meer dan eens ontvluchten om mijn toevlucht te zoeken bij God.

(…) Al luisterend naar Die Zauberflöte heb ik het wijsje uit mijn kindertijd eindelijk teruggevonden.

Een doelloos duet, een duet met introkken klauwen, zonder naar elkaar te blazen, zonder liefkozingen, een duet zonder wellust, een duet dat noch voorspel, noch naspel van de paring is… meer een universeel liefdesduet dan de vertolking van zelfzuchtige onderonsjes… dat heeft iets zuivers, iets vrooms… De liefde bezongen als een heilig goed. De offerande.

Daarom konden twee kinderen het met hart en ziel zingen! De man geeft hoog op van de liefde, de vrouw ook; toch verwachten ze geen van beiden iets van de ander. Geen strategie. Handen thuis. Liefde die verder reikt dan seksualiteit. De liefde die kinderen begrijpen en ervaren, terwijl wij volwassenen daaraan voorbijgaan om ons over te geven aan onze woeste kronkelingen, die soms genot verschaffen, maar nooit voor lang.

(…) In die Zauberflote is de kindergeest aanwezig. Wat is dat dan? Om dat te begrijpen moet je dikwijls hebben vertoefd in dat randgebied waar liefde de mensen met elkaar verbindt, een zoete wereld van liefkozingen, slaapliedjes, armen waarop je in slaap valt. Onder die hemel word je net zo gelukkig wakker als je in slaap valt, geef je je hartstochtelijk over aan het spel, doe je alles met overgave, geniet je met volle teugen van elk ogenblik van de dag. Het overheersende gevoel in dit liefdevolle oord is vertrouwen. Je twijfelt er niet aan dat de mensen van je houden. Je twijfelt er niet aan dat de dingen zin hebben. Je twijfelt er niet aan dat er antwoorden zijn op de vragen die je je stelt. Als je studeert, doe je dat niet om te kunnen eten of aan de armoede te ontsnappen, maar vooral om je ouders tevreden te stemmen. Als je straf krijgt, krijg je die van de hand je even later zal liefkozen of een koekje zal geven. En al kent de kindertijd ook momenten van hevige schrik, van angst voor wreedheid, van verzet tegen onrecht, toch heerst er een intens, stralend vertrouwen.

De kindertijd is een vorm van metafysica, de overtuiging dat er een orde is, een zin, een welwillende geest die over ons waakt, die bewonderde en gevreesde grote mensen die zoveel geheimen bewaren. De wereld lijkt eerder mysterieus dan absurd.

(…) Muziek lenigt onze fundamentele onzekerheid over wat we hier op aarde doen, met dat broze lichaam en die beperkte geest. Omdat muziek rustgevend is, geheel al is gewijd aan het bezingen van het zijn, ontrukt ze ons aan de verleiding van het niet-zijn en zet os weer op de weg van het leven. (…)

De muzikale ervaring streeft gedeeltelijk hetzelfde doel na als de mystieke ervaring. (…) je beleeft een moment waarop er eindelijk geen vragen meer zijn. Tijdens een nacht onder de blote hemel, verdwaald in de Sahara, toen ik het gevoel had dat God me gezelschap hield, kwam er plotseling een einde aan het vragen stellen – aan die spanning, die voortdurende kwelling van mijn geest –, en in plaats daarvan voelde ik een weldadige volkomenheid. Het zijn zegevierde over het niet-zijn, de aanwezigheid over de afwezigheid, de klank over de stilte. Net als wanneer ik naar jou luister. Of het nu een mystieke of een muzikale ervaring is, het gaat om een moment dat in de tijd blijft zweven. (…)

Integendeel, je voelt dat een andere orde de plaats inneemt van de orde die je hebt geleerd, een volkomen nieuwe, verborgen logica, waarschijnlijk die van de gevoelens.

(…) Jij hebt me genezen door me een andere weg te wijzen. Toch heb je mijn hang naar het absolute niet weggenomen.

(…) Jouw muziek leidt niet naar muziek, maar naar het humanisme.

(…) Ik schaam me als ik eraan denk dat ik ooit niet durfde toe te geven dat ik van je hield. Een domme terughoudendheid die ik niet meer heb. Door te zeggen ‘Ik hou van Mozart’ geef je jezelf bloot en beken je dat er in het diepst van je ziel nog een vrolijk, blijmoedig kind te vinden is. Door te zeggen ‘ik hou van Mozart’ roep je dat je wilt lachen, spelen, rennen, in het gras rollen, de hemel kussen, de rozen strelen. Mozart betekent vitaliteit, snelle beentjes, een bonzend hart, suizende oren, de zon die ons in een warme omhelzing koestert, het linnen hemd dat vluchtig langs je lijf strijkt, het wonder van het leven. (…)

Nu is het geen bekentenis meer, ik schreeuw het van de daken: Mozart, ik hou van je. En als ik Mozart zeg, zeg ik niet alleen je naam, maar duid ik ook op de hemel, de wolken, de glimlach van een kind, de ogen van een kat, het gezicht van de mensen die me dierbaar zijn; je naam wordt een cijfercode die verwijst naar datgene wat onze liefde, bewondering, verbazing verdient, datgene wat ons beroert en aangrijpt, alle schoonheid van de wereld.

Ik ben overgestapt naar de partij van het leven. Zoveel tijd is er nodig om tot eenvoud te komen.

 

 

Erich Schmitt schreef overigens nog een boekje over een groot kunstenaar, Beehoven. Ook dit boekje is de moeite waard. Hieronder een fragment uit ‘Beethoven is dood’

De gevaarlijke onbevangenheid heeft geen weet van kwade bedoelingen, onderschat onrechtvaardigheid, loochent sadisme, wreedheid of stommiteit. Die – utopische – onbevangenheid getuigt van een blind en wereldvreemd vertrouwen dat grenst aan het achterlijke.

De vruchtbare onbevangenheid maakt zich daarentegen geen illusies over de verdorvenheid van de wereld. Waaraan herken je die? Aan de wil om iets te doen. Deze vorm van onbevangenheid weigert om in het negatieve denken mee te gaan en werpt zich in de strijd, blijft positieve waarden benadrukken, beweert dat individuele mensen de dingen beter kunnen maken.

Tegen onze defaitistische tijdgeest in leerde Beethoven me opnieuw deze essentiële vorm van onbevangenheid, anders gezegd vertrouwen. Geloven in je kracht en jezelf de kracht geven om te geloven.