Bert Hellinger

Bert Hellinger (1925 – 2019) was afkomstig uit Duitsland. In zijn jongere jaren studeerde hij filosofie, pedagogiek en theologie. Hij werkte gedurende 16 jaar als katholiek missionaris en priester bij Zulu’s in Zuid-Arika. Na deze periode keerde hij terug naar Europa en werd opgeleid tot psycho-analyticus. Hij begon te publiceren over onder meer de vraag hoe binnen families de harmonie kan worden hersteld en de liefde weer kan gaan stromen. Daarbij ontwikkelde hij een geheel eigen manier van werken. Deze is bekend geraakt onder de naam ‘familie-opstellingen’.

Hellinger publiceerde tal van boeken die getuigen van diep inzicht in het functioneren van individuele mensen binnen familieverbanden – en daarbuiten. Deze boeken kunnen een hulp zijn voor wie persoonlijke ontwikkeling zoekt. Een toegankelijk en interessant boek is bijvoorbeeld zijn autobiografie “Mijn leven, mijn werk’. Veel van zijn inzichten worden hierin nog eens duidelijk voor het voetlicht gebracht. Ook de beperkingen van zijn gedachtengoed worden in dit boek duidelijk zichtbaar. Zo duidt Bert Hellinger m.i. overmatig allerlei fenomenen, zoals bepaalde ziekten, als het gevolg van verstoorde dynamieken binnen families. Daarnaast is er wat mij betreft meer kritiek op zijn werk mogelijk. Dat laat onverlet dat hij over het geheel genomen een zeer belangwekkend en interessant gedachtengoed heeft nagelaten.

Hieronder volgen enkele citaten uit vermoedelijk zijn bekendste boek, de verborgen dynamiek van familiebanden. (De pagina-aanduidingen hebben betrekking op de 4e ongewijzigde Nederlandse druk uit 2002).

 

Hellinger stelt de volgende behoeften voorop, die mensen ervaren in hun omgang met anderen (p.22):

  1. De behoefte om ergens bij te horen, dat wil zeggen aan binding.
  2. De behoefte aan gelijkwaardigheid bij geven en nemen, dat wil zeggen aan evenwicht.
  3. De behoefte aan de veiligheid van sociale regels en voorspelbaarheid, dat wil zeggen aan orde.

Problemen ontstaan wanneer deze behoeften niet worden bevredigd, zoals bijvoorbeeld in de volgende gevallen:

  1. Iemand binnen een familie wordt buitengesloten.
  2. Er zijn onevenwichtigheden in geven en nemen tussen familieleden.
  3. De bestaande orde werkt niet en blokkeert de liefde tussen familieleden.

 

Over families, ouders en kinderen

Erbij horen binnen een familiesysteem

Wie horen bij een familiesysteem? (p.156)

  • kinderen
  • ouders en hun broers en zusters
  • grootouders en soms een of meer overgrootouders
  • iedereen die plaats gemaakt heeft voor iemand uit het systeem, bijvoorbeeld vroegere partners of geliefden van een ouder of grootouder (ook als die gescheiden of overleden zin) en iedereen van wie een familielid enig voordeel heeft gehad door verlies, ongeluk, vertrek of overlijden.

p.102 De liefde tussen ouders en kinderen wordt, net als die in andere relaties, bepaald door de onderlinge band, door geven en nemen, en door een gepaste verdeling van functies.

p.105 De consequentie van het minachten of buitensluiten van een van de ouders is altijd hetzelfde: kinderen worden passief en voelen zich leeg. Dit is een veelvoorkomende oorzaak van depressie.

p.157 Iedereen in een systeem heeft hetzelfde recht om erbij te horen en geen enkel lid van het systeem kan een ander lid zijn of haar plaats ontzeggen. Een familiesysteem valt uiteen waneer een van de familieleden zegt: “Ik heb het recht om erbij te horen, maar jij niet”. […] Leden van een familie hebben van nature de neiging om degenen die een misdaad begaan hebben, de familie te schande hebben gemaakt of de familiewaarden niet in ere gehouden hebben, buiten te sluiten, maar buitensluiting van wie dan ook uit het systeem heeft, ongeacht de rechtvaardiging, een destructieve invloed op degenen die later in het systeem komen.

 

Over geven en nemen tussen ouders en kinderen

p.104 […] Drie veelvoorkomende patronen van geven en nemen tussen ouders en kinderen zijn schadelijk voor de liefde:

  1. Kinderen weigeren om hun ouders te nemen zoals ze zijn.
  2. Ouders proberen te geven wat schadelijk is en kinderen proberen dat te nemen.
  3. Ouders proberen te nemen van hun kinderen en kinderen proberen te geven aan hun ouders.

p. 113 Wanneer een kind tegen zijn ouder klaagt: ‘Wat je me gegeven hebt, was niet genoeg of het was niet het goede, en je bent me nog steeds heel veel verschuldigd’, dan kan het kind zich niet van zijn ouders losmaken. Dit soort eisen bindt een kind aan zijn ouders op een manier die het hem onmogelijk maakt om iets van hen te nemen. Als kinderen hun ouders nemen zoals ze zijn en ook de goede dingen die de ouders hun gegeven hebben, dan zou dit nemen hun eisen oplossen en ze onzinnig doen lijken. Maar doen ze dat niet, dan blijven ze gebonden aan hun ouders en kunnen niet nemen, noch zich losmaken. Je ouders nemen heeft een vreemd effect: het brengt scheiding teweeg. Het is niet iets dat tegen de ouders gedaan wordt, maar iets dat de relatie met hen voltooit en afrondt. Je ouders nemen betekent: ‘Ik neem wat je me gegeven hebt. Het is veel en het is genoeg. Wat ik nog meer nodig heb, daar za ik zelf voor zorgen of van iemand anders krijgen, en ik laat jullie nu in vrede achter.’ Het betekent: ‘Ik neem wat me gegeven is en hoewel ik mijn ouders verlaat, heb ik mijn ouders en hebben zij mij.’

p.102 In tegenstelling tot andere relaties kan men spreken van een geslaagde relatie tussen ouders en kinderen als er een substantieel verschil blijft bestaan tussen geven en nemen: De eerste systemisch Orde van de Liefde voor ouders en kinderen houdt in dat ouders geven en kinderen nemen. […] De liefde gedijt wanneer kinderen het leven dat hun gegeven is waarderen – wanneer ze hun ouders nemen als ouders, zoals ze zijn. Al het andere dat kinderen nodig hebben om zich te ontwikkelen kan ook door anderen worden gegeven, maar alleen hun ouders kunnen hun het leven geven. […] Ouders ervaren een diepe voldoening wanneer hun kinderen hen nemen, wanneer ze in de ogen van hun kind een snelle flits zien of een vrolijke lach horen die zegt: “Ik ben blij dat je mij gekregen hebt”. Kinderen kennen vrede wanneer ze hun ouders nemen zoals ze zijn […]. Kinderen zijn niet in staat om het grote verschil tussen geven en nemen in de relatie met hun ouders in evenwicht te brengen, zelfs als ze dat zouden willen. De tweede Orde van de Liefde waarmee kinderen te maken krijgen, is een onoverbrugbaar verschil tussen geven en nemen. […] Kinderen streven er onbewust naar om hun ouders in hun lijden te evenaren. De liefde die hen aan hun ouders bindt, is zo diep, dat ze erdoor verblind worden, en ze kunnen de verleiding niet weerstaan om te proberen voor hun ouders te zorgen door hun lijden over te nemen. […] De liefde tussen ouders en kinderen richt zich naar een rangorde binnen het gezin, die eist dat ze ongelijkwaardige partners blijven en dat ouders geven en kinderen nemen. Aldus luidt de derde Orde van de Liefde dat de liefde het best gedijt wanneer kinderen kinderen zijn en ouders ouders, dat wil zeggen wanneer de rangorde binnen het gezin naar tijd en functie gerespecteerd wordt.

 

 

Over de orde binnen families:

p. 116 De relatie tussen de vader en de moeder bestaat al voordat ze ouders worden […] Vandaar dat de relatie tussen man en vrouw in het gezin voorrang heeft.

p.117 Het intieme leven van de ouders gaat de kinderen niets aan en ze behoren daar niet in betrokken te worden. Ze kunnen echter geen weerstand bieden als ze er wel in meegezogen worden. Maar later kunnen ze vergeten wat ze gehoord hebben! Als ze dat inderdaad kunnen, zal het hun geen schade toebrengen.

p.112 Wanneer de ouders behoeften hebben waaraan niet voldaan is, dan is het voor hen passend om zich tot elkaar te wenden, of tot hun ouders. Wanneer ze zich tot hun kinderen wenden met de eis om getroost of gerustgesteld te worden, dan worden de rollen en functies in het gezin omgedraaid. Dat is parentificatie – een kind neemt ten opzichte van de eigen ouders de rol van ouder aan. Kinderen kunnen zichzelf niet tegen dit proces beschermen. Iedereen lijdt eronder wanneer een gezin verstrikt raakt in een patroon waarin kinderen zich verantwoordelijk voelen voor hun ouders en ouders van hun kinderen verwachten dat ze zich gedragen als volwassen partners.

p.159 De tijd verleent ons bestaan orde en structuur. In relatiesystemen betekent dit dat wie het eerst een systeem binnenkomt een zekere voorrang heeft op degenen die later komen. […] Wanneer twee bestaande families worden samengevoegd is het ingewikkeld als het gaat om de rangorde met betrekking tot tijd welke normaal gesproken de liefde in een familie bevordert. Wanneer twee personen uit een vorig huwelijk kinderen meebrengen in hun nieuwe relatie, heeft hun liefde voor elkaar geen voorrang op de liefde voor hun kinderen. In deze situatie vraagt de liefde doorgaans dat de binding met de kinderen uit het vorige huwelijk voorrang heeft op de nieuwe liefde tussen beide partners. Daarna komt hun band als man en vrouw in een partnerschap van gelijken, gevolgd door de binding met de kinderen die zij samen hebben. Dit mag niet als een star dogma worden opgevat. Veel problemen in een tweede huwelijk treden echter op wanneer een van de nieuwe partners jaloers wordt op de eerdere kinderen van de ander, dat wil zeggen wanneer de nieuwe partner verlangt dat de nieuwe liefde voorrang heeft op de ouder liefde tussen kinderen en ouders.

 

Over partnerschap

p.56 Iedere volwassene heeft al een opvoeding achter de rug en heeft al geleerd hoe zich te gedragen; iedere poging om dat opnieuw te doen, zal de liefde zeker schade toebrengen. […] De hevigste machtsstrijd in intieme relaties treedt op wanneer de ene partner de andere probeert te behandelen als een kind, als een moeder of als een vader.

p.59 Het fundamentele evenwicht tussen geven en nemen dat de liefde vraagt, wordt aangetast wanneer de ene partner altijd meer geeft of neemt dan de andere, en ook wanneer wat in liefde wordt gegeven niet in liefde wordt genomen.

p.49 Wanneer aan de seksuele behoeften van een van de partners niet voldaan wordt, dan bevindt deze zich in een zwakke positie, want de ander heeft de macht om hem of haar af te wijzen. […] Sommige partners houden vast aan de macht en superioriteit van een gever te zijn, maar daardoor beschadigen zij de relatie. Wil een relatie op den duur slagen, dan dient men het risico te nemen afgewezen te worden en bereid te zijn om de vreugde en het genot van het geven met elkaar te delen. […] Partners die hun begeerte willen koesteren, kunnen overeenkomen dat, wanneer het meest intieme zelf van de een open ligt en kwetsbaar is – zoals het geval is wanneer begeerte wordt geuit – de ander daarvoor respect toont, ook wanneer hij of zij niet aan de verlangens van de ander voldoet.

Beiden dienen te begeren en elk dient de begeerte van de ander te benaderen met respect en liefde. Wanneer seksualiteit de relatie dient en er het doel van is, zullen daardoor de seksualiteit en het liefdevolle partnerschap dieper, vrijer en authentieker zijn. Omdat zowel mannen als vrouwen angst hebben voor dergelijke diepe behoeften, voor de naakte afhankelijkheid die ermee gepaard gaat en voor het gevaar van een vernietigende afwijzing, proberen veel mensen om het tegenovergestelde geslacht in zichzelf te ontwikkelen. Mannen proberen te worden als vrouwen, alsof ze ooit vrouwen zouden kunnen worden, en vrouwen proberen te zijn zoals mannen, alsof dat mogelijk zou zijn. Als ze hierin slagen, hebben ze geen partner meer nodig en wordt hun relatie een kwestie van praktisch gemak. Wil een relatie tussen een man en een vrouw haar belofte waarmaken, dan dient de man een man te zijn en de vrouw een vrouw. In het partnerschap tussen een man en een vrouw zal zij alleen in hem geinteresseerd blijven als hij een man is en een man blijft. Voor hem geldt het omgekeerde. Dit betekent dat een man die een vrouw als gelijkwaardige partner wil liefhebben zijn verlangen naar haar in stand moet houden door zijn eigen incompleetheid te bewaren. In plaats van het vrouwelijke in zichzelf te ontwikkelen, zal hij zijn partner toestaan om die aan hem te geven en neemt hij van haar het vrouwelijke dat zij hem aanbiedt. Een vrouw die een man wil liefhebben, dient ook de masculiene kant van haar partner te accepteren. Wanneer man en vrouw beiden wensen en begeren wat de ander heeft, en hebben wat de ander wenst en begeert, dan zijn zij gelijkwaardig in hun incompleetheid en in hun mogelijkheden om te geven. Wanneer beiden hun beperkingen respecteren en hun behoeften levend houden, zullen hun wederzijdse behoeften elkaar aanvullen en completeren, en zal hun geven en nemen hun band sterker maken. Deze systemische kijk staat haaks op het populaire idee dat mannen het vrouwelijke in zichzelf moeten ontplooien en dat vrouwen hun mannelijke potentieel moeten ontwikkelen. Mensen die dat doen hebben geen partner nodig om ze te geven wat ze missen en dikwijls leven ze dan ook liever alleen.

p.54 vraag: Wat is het mannelijke in een vrouw en het vrouwelijke in een man? Hellinger: Dat is iets wat ik zelf nog niet heb kunnen ontdekken (gelach). Voor een man hebben vrouwen altijd iets verborgens en andersom ook. Ik begrijp het mannelijk zelfs nog niet helemaal. […] Inlellectueel proberen een ervaring te begrijpen is zoiets als proberen een vlam vast te pakken. Als je probeert om dergelijke dingen intellectueel te snappen, dan heb je van het vuur alleen de as te pakken.

p.55 een vrouw bevestigt haar partner in zijn manzijn, maar zij daagt zijn mannelijkheid ook uit en neemt die van hem. Daardoor neemt zijn mannelijkheid gedurende de relatie af. Op dezelfde manier bevestigt een man zijn partner in haar vrouwzijn, maar hij daagt haar vrouwelijkheid ook uit en neemt ervan, waardoor zij minder vrouw wordt. Wil het partnerschap voor beiden opwindend blijven, dan dienen ze hun mannelijkheid en vrouwelijkheid voortdurend te vernieuwen. De man vernieuwt zijn mannelijkheid in het gezelschap van mannen en een vrouw haar vrouwelijkheid in het gezelschap van vrouwen. Vandaar dat ze af en toe hun relatie achter moeten laten om hun vrouwelijkheid en mannelijkheid te ‘verversen’. De feitelijk inhoud van de uitwisseling tussen vrouwen of mannen onderling is niet belangrijk – het kan tijdens een koffiepraatje zijn, aan de bar, op een club, in een groeigroep of op een sportvereniging. Waar het om gaat, is het samenzijn met andere mannen of met andere vrouwen en het doen van de dingen die mannen en vrouwen doen als ze onder elkaar zijn. Als partners dit doen, behoudt hun relatie een creatieve spanning, waardoor die zich kan ontwikkelen en verdiepen. Dit element van een relatie wordt in het romantische liefdesideaal over het hoofd gezien, want daarin geven twee mensen elkaar alles wat ze nodig hebben.

p.50 De liefde tussen partners vergt het loslaten van de eerste en meest intieme liefde, namelijk de liefde van een kind voor zijn ouders. Pas wanneer de gehechtheid van een jongen aan zijn moeder – hetzij in liefde, hetzij in woede – is verdwenen, kan hij zichzelf ten volle aan zijn partner geven en werkelijk man zijn.

De gehechtheid van een meisje aan haar vader dient ook te verdwijnen voordat zij zich aan haar partner kan geven en een vrouw kan zijn. Een succesvol partnerschap vraagt om opoffering en transformatie van onze vroegere binding als kind aan onze ouders – de jongen aan zijn moeder en het meisje aan haar vader. een jongen leeft de periode voor en na de geboorte en zijn kindertijd voornamelijk binnen de invloedssfeer van zijn moeder. Als hij daarin blijft, overspoelt haar invloed zijn psyche en zal hij het vrouwelijke als het belangrijkste en het sterkste ervare. Onder de dominantie van zijn moeder kan hij een bekwame verleider en minaar worden, maar hij ontwikkelt zich niet tot een man die vrouwen waardeert en die een langdurige liefdesrelatie in stand kan houden. Evenmin zal hij een sterke en toegewijde vader voor zijn eigen kinderen worden. Om een man te worden die in staat is ten volle deel te hebben aan een gelijkwaardig partnerschap, dient hij zijn eerste en meest intieme liefde in zijn leven – zijn moeder – op te geven en zich naar de invloedssfeer van zijn vader te begeven.

p.54 Een zoon ervaart het vrouwelijke als zo oppermachtig, zo aantrekkelijk en van zo’n allesoverheersend belang, dat hij zich te zwak voelt om het op te geven. Op zijn eigen kracht kan hij er niet aan ontkomen. Als hij het kind-zijn wil opgeven om een man te worden, zal hij zich moeten verbinden met zijn vader en zijn grootvader, en met de mannenwereld. Daarin vindt hij de kracht die hij nodig heeft om zich te onttrekken aan de invloedssfeer van zijn moeder.

p.51 Een meisje komt het leven binnen in de invloedssfeer van haar moeder, maar zij ervaart het vrouwelijke en de aantrekkingskracht van het mannelijke heel anders dan haar broer. Haar vader is door haar gefascineerd en als alles goed gaat, kan zij de kunst van het aantrekken van mannen oefenen in de stabiele veiligheid van zijn liefde. Wanneer zij echter binnen de invloedssfeer van haar vader blijft, wordt zij ‘papa’s kleine meisje’. Ze kan een minnaar krijgen, maar ze zal niet volledig uitgroeien in haar vrouwzijn; ze heeft moeilijkheden met een gelijkwaardige partnerrelatie en met overvloedig geven aan haar kinderen. Om een vrouw te worden is het voor het meisje noodzakelijk dat zij de eerste man in haar leven – haar vader – verlaat, terugkeert naar haar moeder en naast haar gaat staan.

 

 

 

Over incest:

p.130 Incest is een ingewikkeld iets en er bestaan veel verschillende vormen van, zodat we op moeten passen voor generalisaties. […] Therapeuten kijken in geval van incest meestal niet naar het gezin als geheel. Ze zien twee individuen: de dader, doorgaans een man, en het slachtoffer, doorgaans zijn dochter of stiefdochter. Sommige therapeuten beschouwen de dader als een onmenselijk beest die het slachtoffer dwingt om te voldoen aan zijn of haar onbeheerbare seksuele lusten of emotionele behoeften. Ze zien de ruimere context niet. Mijn vraag hierbij is: is het kind in enige zin gebaat bij het dader-slachtoffermodel waarmee naar incest gekeken wordt? Dat is de cruciale vraag. In verreweg de meeste gevallen waarmee ik gewerkt heb, lijkt dit model helemaal niets positiefs op te leveren. […] De oplossing is voor ieder kind anders. Vandaar dat een therapeut alert dient te blijven – je kunt beter een vooropgezette overtuiging opofferen dan een kind. […] Het bewijs of je de juiste woorden gevonden hebt, ligt in hun effectiviteit. Als je de juiste formulering gevonden hebt, experimenteert een meisje (of een volwassen vrouw) met de zinnen en plotseling voelt ze een verandering in haar lichaam en weet ze dat ze goed is. Het is werkelijk een dramatisch maar schitterend proces om mee te maken. Ze voelt zich opgelucht, omdat de zinnen haar liefde en haar afhankelijkheid laten zien, en daarmee haar onschuld. Het is van absoluut belang dat een kind geholpen wordt om een weg terug te vinden naar zelfwaardering en waardigheid en dat zijn liefde erkend bevestigd wordt.

p.134 […] Wanneer je werkt vanuit systemen, ook al ben je op zoek naar een oplossing voor je cliënt, dien je de totaliteit van het systeem te dienen en te beschermen. Daarom is het noodzakelijk dat je je verbindt met degenen die buitengesloten zijn. Als je niet in staat bent om de daders een plaats te geven in je hart, kun je niet met het totale systeem werken.

p.135 Wanneer ik met de dader werk, confronteer ik hem met zijn schuld – dat is buiten kijf. Maar mensen nemen dikwijls aan dat er voor het slachtoffer iets zal veranderen als de dader zijn schuld accepteert of gestraft wordt. In werkelijkheid verandert er daardoor helemaal niets. Als ze eenmaal uit hun situatie zijn, kunnen incestslachtoffers zelf handelen om zich te bevrijden uit hun verstrikkingen, ongeacht wat er met de dader gebeurt. Maar daarvoor moeten zel wel bereid zijn om het idee van vergelding te laten varen. […] Ik heb waargenomen dat het niet gepast en zelfs onmogelijk is voor een kind om zijn ouders te vergeven voor incest. Het kan zeggen: ‘wat jullie gedaan hebben, was slecht voor mij en ik laat de consequenties aan jullie. Ik zal iets van mijn leven maken, ondanks wat er gebeurd is.” Of het kan zeggen: “Jullie hebben me een groot onrecht aangedaan en dat mag ik niet vergeven; daartoe heb ik het recht niet”. Het kind kan beide ouders tegelijkertijd confronteren met wat er gebeurd is en tegen ze zeggen: “Jullie zijn fout, niet ik. En jullie moeten de consequenties dragen, niet ik”. Op die manier legt het kind de schuld waar die hoort – bij de ouders – en neemt het afstand van hun verantwoordelijkheid. Het is voor een kind niet nodig om zware beschuldigingen te uiten aan het adres van de ouders. Het is voldoende als er helderheid tussen hen is, want die bevrijdt het kind. Op dezelfde manier kan een vader ook geen vergeving vragen van zijn dochter nadat hij haar misbruikt heeft. Als hij dat doet, dan vraagt hij haar iets te doen dat buiten haar recht en plicht om te geven ligt. Door haar te vragen de consequenties van zijn daden te beperken, gebruikt hij haar in feite opnieuw. Hij kan iets zeggen als: “Ik heb spijt van wat ik gedaan heb”. Of: “Ik erken dat ik je onrecht heb aangedaan.” Maar hij dient de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden te blijven nemen en alle conequenties ervan te aanvaarden. Hij moet echter niet verdergaan dan dat, anders maakt hij de last voor het kind nog groter.

 

Over goed en kwaad

p. 211 Overtuigingen over goed en kwaad worden bij de meeste mensen louter en alleen bepaald door de normen van de groep waartoe ze behoren en het is voor iedereen heel moeilijk om aan die beperking voorbij te gaan. Om voorbij te gaan aan de beperkingen van de moraal van een groep dien je je te identificeren met een grotere systemische orde – dat is in ware in een morele beweging. Wanneer je ingaat tegen wat je vrienden en familieleden als juist beschouwen, dien je bereid te zijn om de gevoelens van schuld en vervreemding te verdragen die daarmee gepaard gaan.

In de systemische psychotherapie is het eenvoudiger en zinvoller om alle morele oordelen te vermijden en het standpunt in te nemen dat mensen in de kern goed zijn en slechte dingen doen wanneer ze vastzitten in systemische verstrikkingen. Op die manier behoud je de vrijheid om ze te zien en kun je proberen te begrijpen hoe ze zijn verstrikt en wat er gebeuren moet om ze te bevrijden uit hun verstrikking. Omdat je ten opzichte van hen niet vastzit in een moreel superieur gevoel, kun je terwijl je met ze werkt er ook op letten hoe je door hen geraakt wordt. Op die manier blijft iedereen gelijkwaardig en behoudt iedereen zijn menselijke waardigheid. In iedere psychotherapie is het goed om je te distantieren van het idee dat een individu slecht kan zijn. Toch heeft alles wat wij doen consequenties. Wij dragen allemaal schuld en wij lijden allemaal onder de gevolgen van het kwaad dat wij anderen aandoen, ook als wij handelen vanwege een verstrikking of om wat onze groep gelooft.

p. 212 Ik denk altijd na over wat een goede oplossing zou zijn. In de Bijbel wordt gezegd dat men de boom kent aan zijn vruchten en de dag aan zijn einde. Waar het om gaat, is de uitkomst. Als je werkelijk ziet, dan zie je dat degenen die beweren onschuldig te zijn, eigenlijk niet veel goeds teweegbrengen. De werkelijkheid spreekt onze verwachtingen voortdurend tegen. In de systemische therapie bestaat er een vuistregel met betrekking tot goed en kwaad: doorgaans is dit het tegenovergestelde van wat men beweert. Ik heb daarop nog maar zelden een uitzondering gezien. In opstellingen waarin de vader als de slechterik wordt voorgesteld, zoek je automatisch naar de destructiviteit en de verstrikkingen van de moeder. Wanneer de moeder als de slechterik wordt voorgesteld, kijk je onmiddellijk naar de vader.

p.214 Individuen zijn persoonlijk verantwoordelijk in de zin dat wat ze doen gevolgen heeft – voor sommigen misschien meer dan voor anderen. Maar de vrijheid van keuze is dikwijls zeer beperkt. Je draagt de systemische verantwoordelijkheid voor de gevolgen van wat je doet, ook al heb je niet in vrijheid voor je daden gekozen.

p.214 Vraag: Jij zou de bewakers van de concentratiekampen of de officeren die duizenden joden naar de gaskamers gestuurd hebben niet veroordelen?

Hellinger: Integendeel! Ik veroordeel ze wel. Ze hebben afschuwelijke misdaden begaan tegen de mensheid en dienen de consequenties van hun daden te aanvaarden. Niettemin zaten ze verstrikt, gevangen in iets dat groter was dan zij. Hen verantwoordelijk houden voor hun daden en tegelijk zien dat ze gevangenzaten in een veel groter kwaad is iets anders dan ze veroordelen als slechte mensen – en jezelf moreel superieur voelen. Je moet uitmaken of je moreel, wettelijk of systemisch denkt. Alle grote misdaden worden begaan door mensen die denken dat ze op de een of andere manier beter zijn dan anderen. En degenen die denken dat zijzelf weer beter zijn dan die mensen, lopen het gevaar ook misdaden te begaan.

 

Over goede therapie

p.216 De therapeut dient de vrijheid van de cliënt te respecteren zonder die te veranderen. Het is een kwestie van een fundamenteel respect voor individuele vrijheid – inclusief de vrijheid om te falen en de vrijheid om vast te lopen. Goede therapie heeft de eigenschap in relaties aanwezig te zijn zonder intenties, zonder een specifiek doel. Dat wil zeggen dat wij, tot op zekere hoogte al onze pogingen om een cliënt te beinvloeden op dienen te geven. Een dergelijke aanwezigheid creeert een ruimte waarin genezing kan plaatsvinden. Alles wat meer is dan het minimaal noodzakelijke om een verandering in gang te zetten verzwakt de cliënt. In therapie is minder gewoonlijk meer.

p. 219 Vanuit een systemisch gezichtsput bekeken zijn problemen mislukte pogingen om lief te hebben en de liefde die het probleem in stand houdt, kan zo gestuurd worden dat het probleem zich oplost. De taak van de therapeut is in de eerst plaats het punt te ontdekken waarop de cliënt liefheeft. Wanneer ik dat punt gevonden heb, heb ik therapeutische invloed. Door de cliënt te helpen een gepaste en volwassen manier te vinden om lief te hebben, verdwijnt het probleem: de liefde die het probleem eerst in stand hield, lost het nu op.